Steenbergen
St. Philipsland St.Maartensdijk Westkerke Scherpenisse Dinteloord Bergen op Zoom

De zoon van Cornelis Belet en Janneke de Wit, die tevens de volgende stamhouder is, Willem Belet (1798 – 1874) is weliswaar te Dinteloord geboren, maar heeft een groot deel van zijn leven, met zijn echtgenote Maria Catharina Belletter (1806 – 1869), te Steenbergen gewoond en gewerkt. De meeste van zijn kinderen zijn te Steenbergen geboren.

De naam van de huidige stad Steenbergen, komt men voor het eerst in geschriften tegen in het jaar 1267. Er is echter geen algemeen aanvaarde zekerheid dat het in die vermelding om de huidige stad gaat. Een volgende vermelding in geschriften treffen we aan in het jaar 1272. Omstreeks dat jaar begint eigenlijk de geschiedenis van Steenbergen. Aangenomen wordt dat de in het geschrift van 1272 vermelde plaats Steenbergen betreft.

Een controversiële vermelding in de teksten betreft de oorkonde van heer Hendrik van Breda, die in 1267 gebieden uitgaf ter grootte van 17 “mansi”, gelegen tussen de twee verdwenen dorpen Ansekerke en Lindonk. Deze dorpen zouden te vinden zijn geweest in of nabij het land van Zevenbergen, in de huidige Zonzeelse Polder.

De bezitting werd verkocht of geschonken aan ene Walter van Zwijnaarde uit Gent, aan diens zoon Jan en aan Jan van Donck. De uitgifte geschiedde “volgens het recht en het gebruik van Stemberghe, zoals het aan die van Stemberghe bezegeld is”.

De opvatting heerst dat de bevolking van het gebied van Steenbergen afkomstig is uit zuidelijke streken. Deze opvatting komt voort uit het feit dat de adellijke geslachten van de heren van Steenbergen allen een zuidelijk kenmerk hebben.

In de periode van 1200 tot 1300 was het grootste deel van de bevolking van Brabant nog dienstbaar of horig. Er waren strenge wetten die het de dienstbaren verbood het gebied te verlaten; zij mochten niet huwen met een vreemde vrouw; dit alles om te zorgen dat er geen mogelijkheden waren voor dienstbaren om zich vrij te maken. Een andere regel was ook dat bij hun overlijden het grootste deel van wat zij bezaten aan hun heer verviel.

De eerste vrijmaking van horigen vinden we in het jaar 1246, in het testament van heer Godevaart IV van Breda. Al de mannen van dienstbare afkomst werden vrije mannen, op voorwaarde dat er na hun dood een zgn keurmede van 12 deniers werd betaald. In 1252 deed hertog Hendrik II van Brabant hetzelfde voor wat betreft de hertogelijke domeinen.

De vrijgemaakte horigen trokken veelal naar elders om voor zichzelf een bestaan op te bouwen. Omdat ze natuurlijk niet over de middelen beschikten om zelf ontginningen te starten en bedrijven op te richten, werd een en ander in handen genomen door abdijen, kloosters en ziekenhuizen, die wel de nodige kapitalen bezaten. 

De eerder genoemde mannen, Walter van Zwijnaarde, diens zoon Jan en Jan van Donck, exploiteerden hun gronden niet zelf, doch verkochten de 17 mansi moergrond aan de St. Pietersabdij van Gent. Het moer onder Zevenbergen heeft voor de bewoners van Steenbergen geen betekenis meer gehad. De naam “Het Steenbergse Moer” bleef echter tot 1543 vermeld worden.

Het uit 1272 gevonden geschrift is bekend gebleven als het Eerste Keur van Steenbergen. In 1292 werd de Middelkeur opgesteld en in 1308 de Nieuwe Keur. De elkaar opvolgende keuren waren niet steeds aangepaste voortzettingen van elkaar, al werden er veel artikelen uit eerdere keuren na het ontstaan van nieuwere stilzwijgend geldend gehouden. Blijkens een notitie met het jaartal 1589 wordt vanaf dat jaar een niet in de nieuwe keur uit de oude keur opgenomen bepaling van kracht. Deze bepaling regelt het pandnemen door de eiser van een schuldenaar en de manier waarop dit pandnemen moest geschieden.

Al in 1272 waren er te Steenbergen schepenen in functie, die echter “hoofdvaart” hadden op de schepenen van Bergen op Zoom. Omdat deze stad vooruitliep op de ontwikkeling van de streek, was daar veel meer ervaring in bestuur en rechtspraak. Een partij die niet tevreden was met een vonnis van de Steenbergse Schepenbank kon in beroep gaan bij die van Bergen op Zoom.

De nederzetting Steenbergen behoorde tot het Land van Breda. Breda verschijnt tegen het einde van de  12e eeuw als een afgronde heerlijkheid, met nauwkeurige grenzen aan het rechtsgebied. Omstreeks 1198 draagt Godfried van Schoten, heer van Breda zijn kasteel en goed van Breda over aan de hertog van Brabant, om het daarna van die heer in leen terug te krijgen.

Daar het Huis van Breda in 1281 uitstierf met de dood van Elisabeth van Breda, verdeeld de hertog van Brabant na het overlijden in 1287 van Arnold van Leuven, de weduwnaar van Elisabeth, de heerlijkheid in twee delen. Het oostelijk deel met Breda als hoofdstad kwam aan Raso van Gaveren, de heer van Liedekerke. Het westelijk deel, met centrum Bergen op Zoom, kwam aan Gerard van Wesemaal. De verdeling werd eerst in 1290 uitgevoerd. Omdat het moeilijk bleek om alles zo rechtvaardig mogelijk te verdelen, bleef een deel van de oude heerlijkheid in gemeenschappelijk bezit. Het betreft de grondgebieden van de parochies Steenbergen (met de wildert van het latere Kruisland), Gastel (waaronder Oudenbosch en Hoeven) en een deel van de parochie Wouw.

Tot circa 1458 is Steenbergen blijven behoren tot de onverdeelde boedel van de heerlijkheid Breda. Langzaam maar zeker bleek een zeker overwicht van de heer van Bergen op Zoom. Op 28 april 1458 zegelden Jan I van Glymes van Bergen op Zoom en de heer van Breda een akte die regelde dat Jan van Nassau, heer van Breda, in het bezit kwam van de stad Steenbergen. Philips van Bourgondië, toen ook hertog van Brabant, keurde deze overeenkomst op 3 juni 1459 goed.

Doch Steenbergen, dat via handel en scheepvaart enige welstand had ontwikkeld, kon door de in de omgeving verslechterde omstandigheden deze welvaart niet herwinnen. Tot 1794 is Steenbergen een heerlijkheid van Nassau en Oranje gebleven. De stad werd niet geincorporeerd in de heerlijkheid Breda, maar werd meestal baronie van Steenbergen genoemd. Tegen het midden van de 15e eeuw omvatte de gemeente Steenbergen het gebied Oudland met enkele polders ten westen daarvan.

Met betrekking tot het archief van de stad Steenbergen kan worden opgemerkt dat in een attestatie afgelegd door de Magistraat van Steenbergen voor de Schepenbank van 30 september 1580 gezegd wordt dat door troepen van graaf Lumeij van der Marck in de maand mei 1572, de privilegiën en andere bezegelde brieven van de stad door de vensters werden gesmeten, werden weggeworpen en werden verscheurd. 

Hieronder volgen een aantal jaartallen met betrekking tot de ontwikkeling van de stad:

 in 1275 werd er een molen opgericht door Wisse van den Havene;

 in 1297 had Steenbergen vrijdom van tol te Antwerpen gekregen van hertog Jan van Brabant en tevens van vrijdom van geleidegeld op de Schelde en vrijdom van bakengeld in de Eendracht;

 in 1310 werd door beide heren bepaald dat de "lieden" van Steenbergen voor wat betreft het recht van zoutmaat slechts twee penningen per kuip zout behoefden te betalen;

 in 1319 werd uitgesproken dat de Spui te Steenbergen aan de lieden aldaar in cijns werd gegeven en mochten de lieden hun dorp ommuren;

 in 1328 werd door de hertog van Brabant aan Steenbergen het recht van wagengeld verleend;

 in oorkonden van 27 november 1330 en van 28 januari 1331 wordt nog gesproken van de “lieden” van Steenbergen, terwijl in een andere oorkonde uit 1331 gerept wordt over “poorters” en “de lieden van de poort” van Steenbergen. Steenbergen was zeker stad in het Verbond van Brabantse Steden uit 1355. Dit verbond werd gesloten bij de troonsbestijging van hertog Wenceslaus;

 na de stadsbrand kort voor 13 april 1367 bleef de bevolking verarmd en zonder werkgelegenheid in de afgebrande graanpakhuizen achter. Een groot deel van de bevolking viel weg, eensdeels door de uitgebroken pestepidemie, andersdeels door vertrek uit de verarmde stad;

 in 1374 kreeg Steenbergen tolvrijdom in Holland en Zeeland via hertog Albrecht van Beieren;

 een volgende ramp trof de stad met de Elisabetsvloed van 1421;

 een verbetering van de levensomstandigheden kwam eerst met de definitieve scheiding van het land van Breda tussen de heren van Breda en Bergen op Zoom in 1458; 

 in 1459 kreeg de stad het recht een vrije weekmarkt te houden;

 op 22 april 1460 werd de stad getroffen door een ernstige watersnood;

 in 1463 werd door de heer van Bergen de Oud Glymespolder en het Rubeerschorrengebied bedijkt;

 in 1475 werden de rechten van de stad nogmaals bevestigd door heer Engelbrecht II van Nassau, die met zijn echtgenote Simburga van Baden op 27 juli 1475 te Breda werd ingehuldigd;

Engelbrecht van Nassau

 

 goed beleid was voorts de inpoldering van gebied ten westen van Steenbergen in 1482;

 in 1487 werd het Nieuwe Oostland (Kruislandse polder) ingepolderd. Onder het bewind van Engelbrecht werd door de graaf van Holland in 1484 gunstig beschikt op een rekest van de heer om vrijdom van tolrecht in Holland en Zeeland;

 in 1492 werd er tussen Steenbergen en Delft en Delfshaven een beurtveer ingesteld. Dit recht werd in 1510 verlengd, evenals in 1530 en 1541;

 op 8 november 1504 hield graaf Hendrik IV van Nassau zijn blijde inkomste in de stad. De hem toen toegezegde bede werd eerst in 1519 geregeld. De stad, bij monde van de ingelanden en onderzaten, wilde de bede in één keer afdoen en verklaarde zich bereid om voor elke gemet land 5 stuivers te betalen. Het totale bedrag zou dan in vier termijnen worden voldaan. Het rechtsgebied Steenbergen omvatte toen 11.706 gemeten, te weten Oudland 1800, Westland 2200 (uitgegeven aan de stad ter herdijking in 1421), St. Ontcommerspolder 1209 (dijkbrief verleend in 1482), Nieuw Cromwiel 180 (uitgegeven in 1445), Cromwiel 185, Kruisland met annexen 6132 (dijkbrief in 1487). Met Kerstmis 1519 werd 292 rijnsguldens betaald, in maart 1520 kwam er slechts 55 rijnsguldens binnen. Veroorzaakt door grote sterfte in 1520 werd er daarna niet meer betaald;

 onder het bewind van achtereenvolgens graaf Hendrik III en zijn zoon en opvolger Renatus van Nassau, later genoemd René van Chalon, werd de Graaf Hendrikpolder bedijkt. Hiervoor werd de uitgifte verleend in 1515, bedijking gereed in 1538;

 Andries Vierlingh (1507 – 1579) wordt in 1537 door de Prins van Oranje benoemd tot rentmeester van Steenbergen. Dit bleef hij tot 1567, terwijl hij daarnaast in 1552 ook werd benoemd tot dijkgraaf van de Graaf Hendrikpolder;

 in 1565 werd door toedoen van prins Willem van Oranje (eerst geheten Willem van Nassau) op basis van een overeenkomst met de heren van Vossemeer, de bedijking van de Nieuwe Heije voltooid;

 in 1572 werd de stad bezocht door de Watergeuzen;

 Steenbergen werd op 12 augustus 1577 door het Staatse leger bezet;

 na de dood van Willem I van Nassau in 1584 werd de heerlijkheid een tijd bestuurd door de domeinraad;

 in 1591 werd Prins Maurits door de Staten Generaal tijdelijk met het beheer en bestuur belast.

De inpolderingen in het Land van Steenbergen (naar een opgave anno 1843):

1250 Het Oude Landslaag met de Dassenberg;

1357 Oude Kromwiel;

1367 Het Westland, west van de Koeveringsedijk;

1367 Het Verdronken Westland, in de Inundatielijn;

1376 Het Oude Land, zuid van de Wouwsche Beek;

1444 Nieuw Kromwiel;

1482 Rubeerpolder, vroeger geheten Sint Guilgefortpolder;

1482 De Verdronken Aanwas, langs de Inundatiekade;

1482 De Aanwas, aan de Sas- of Stoofdijk;

1487 Kruisland;

1515 De Oude Heide, bij Nootendaal en Nw. Vossemeer;

1515 West Graaf Hendrik, genoemd naar Hendrik van Nassau;

1528 Oost Graaf Hendrik;

1609 De Heen met Heensche Haven;

1611 De Grote en Kleine Botspolder;

1630 Triangelpolder, Ferdinands- en Helmondspolder;

1649 De Oude Vlietpolder;

1655 De Noord- Heen;

1788 De Nieuwe Vliet.

         

Naar volgende pagina