Dinteloord
St. Philipsland St.Maartensdijk Westkerke Scherpenisse Steenbergen Bergen op Zoom

Marinis Bolet (gedoopt 25-2-1731) is van Scherpenisse vertrokken naar Dinteloord en Princeland. Hier is hij gehuwd met zijn Judith (Judik), zij hebben hier hun gezin gesticht en de beide echtelieden zijn er ook begraven. Zijn zoon en stamhouder Cornelis Belet (gedoopt 4-12-1763) is hier geboren, heeft er gewoond en gewerkt en is in dit dorp, evenals zijn vrouw Janneke, begraven. 

Het lijkt ons interessant hier eerst iets over het dorp Dinteloord te vertellen.

Omstreeks het jaar 1000 vormden Noord– en Zuid-Holland, een groot deel van Vlaanderen en geheel Zuid West Nederland één groot veengebied. Door stijging van de zeespiegel kreeg in de komende paar eeuwen de zee grip op het veen en ontstonden er geulen in het veen. Steeds meer raakte het daardoor ook doordrenkt met zout water.

Panorama van Dinteloord vanuit het torentje van het gemeentehuis Anno 1915

Vanaf ongeveer het jaar1250 tot omstreeks het begin van de vijftiende eeuw, werd er in het West-Brabantse veel aan turfwinning gedaan, enerzijds ten behoeve van de brandstofvoorziening, anderzijds voor de zoutwinning. Het ging West- Brabant in die tijd economisch zeer voor de wind.

Tegen het einde van de veertiende eeuw en in de eerste decennia van de vijftiende eeuw verdween er steeds meer veengebied, vooral door de vele najaarsstormen en tenslotte door de rampzalige "Elisabetsvloed" van 17 op 18 november 1421.

Het land veranderde door aan- en opslibbing van veengebied in een gebied van zand en klei. De overgang van turf- en zoutwinning naar landbouw was een feit geworden.

Prins Philips Willem van Nassau

Het gorsengebied tussen Vliet en Dintel was omstreeks het begin van de zeventiende eeuw rijp voor inpoldering en de Heer van Steenbergen, Prins Philips Willem van Nassau (1554 – 1618) vroeg en kreeg toestemming tot inpoldering van zowel de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden te Den Haag, als van de autoriteiten der Zuidelijke Nederlanden, te weten Aelbrecht, Aartshertog van Oostenrijk en diens vrouw Isabella, de dochter van koning Philips II van Spanje.

 

Oud Prinslandse Polder

In 1605 kwam de Prinslandse Polder (die vanaf 1649 Oud Prinslandse Polder zou gaan heten) gereed. Al voordat de bedijking was afgerond was er al grond verkocht aan onder anderen François van Aerssen, Johan van der Veken (koopman te Rotterdam), Johan van Oldenbarneveldt (1547 – 1619, raadspensionaris), Mr. Elias van Oldenbarneveldt (pensionaris van Rotterdam). De verkoping van de gronden werd gehouden in herberg den Eenhoorn in ’s Gravenhage.

Voor de vestiging van het dorp werden 22 gemeten land gereserveerd. Onder leiding van de door de Prins van Oranje benoemde dijkgraaf Jan van der Daesdonck, werd zowel de inpoldering als de stichting van het dorp met grote voortvarendheid aangepakt. De eerste oogst uit de polder werd in 1606 binnengehaald. In dat jaar ook werd Mr. Cornelis van Deeteren benoemd tot secretaris.

In eerste instantie kreeg de nieuwe polder de naam "het Dinteloord en ’s Princenland".

Waar het dorp moest komen te liggen werd als volgt beredeneerd:

omdat het dorp een haven moest hebben voor het transport van de oogsten, moest het gesticht worden tegen de dijk of aan een bestaande kreek;

de zuidkant kwam niet in aanmerking omdat het dorp dan te dicht bij Steenbergen zou liggen;

de afstand tot Steenbergen en Gastel moest groot genoeg zijn om een zelfstandige ontwikkeling van het dorp mogelijk te maken;

de noordkant viel af door te veel kreken en de te korte afstand tot Gastel;

men koos voor de westkant, bij de kreek die uitmondde in een diep dat de Roggeplaat en de Ruigeplaat scheidde.

Voor de inpoldering had men veel arbeiders nodig en die werden van overal vandaan (onder diverse protesten) aangeworven. Voor voortvluchtigen en vogelvrijen gold daarbij een zgn "generaal pardon", dat bij de bedijking van de Prinslandse Polder echter niet gold voor "dootslaghers" en "quaetdoeners". Ook had het bedijkingscollege in verband hiermede in het reglement o.a. de bepaling opgenomen dat "Niemand en sal bij nacht of ontij of bij dage gaan lopen moescoppen of nemen op de werven en hoven van de lantlieden enige ganzen, hoenders, eieren, schapen, lammeren ofte andere goederen op peine daarvoor als voor diefte gestraft te worden". In aanvulling hierop werd nog bepaald "dat sulcke moescoppers door de lantlieden werden dootgeslagen of gekwetst en sullen de lantlieden daaraan niet verbeuren".

Aangenomen wordt dat er al in 1605 huizen zijn gebouwd. Op de aanvraag van Prins Philips Willem in 1607 aan de regering in Brussel of hij in zijn nieuwe polder een dorp mocht stichten, daar een bestuur installeren, rechtspraak instellen, een drossaard en schepenen aanstellen, werd geantwoord dat hij die toestemming van de koning niet nodig had. Het dorp was er al!!

In 1613 waren er in Dinteloord 101 erven voor woningen ontworpen, in de dorpsonderdelen de Voorstraat (ten westen van de kreek), het Marktveld, het "Buiten vierkant van het dorp", de Voorstraat (aan de oostzijde), de Achterstraat (aan de westzijde), de Achterstraat (aan de oostzijde).

De bestuurlijke situatie van baljuw (of schout) en zeven schepenen, met voor het beheer van de financiën de rentmeester (meestal was dit de baljuw of schout zelf) bleef zo ongeveer ongewijzigd tot 1795. In dat jaar ging het stadhouderlijk gezag van de Prins van Oranje verloren en werden de domeingoederen in beslag genomen. De periode van 1795 tot 1811 was een moeilijke, in 1811 kwam er een nieuwe bestuurlijke organisatie en na 1813 schaarde Dinteloord en Prinsenland zich bij de gemeenten van het Koninkrijk van de Nederlanden.

Westvoorstraat Dinteloord 1913

Door verdere bedijking werd het grondgebied van Dinteloord en Prinsenland als volgt uitgebreid:

1649 de Willemspolder, genoemd naar Stadhouder Willem II (1626 – 1650). Hij was gehuwd met de Engelse prinses Maria Stuart;

1650 de Mariapolder, genoemd naar de vermelde Engelse prinses;

1652 de Oud Beaumontspolder, ingedijkt onder de eigendom van de Graaf van Beaumont;

1699 de Koningsoordpolder; deze polder is vernoemd naar Stadhouder Willem III (1650 – 1702), die in 1689 koning van Engeland werd;

1707 de Dintelpolder, vernoemd naar de begrenzende rivier de Dintel;

1755 de Annapolder, vernoemd naar Anna van Hannover (1709 – 1759), de vrouw van Stadhouder Willem IV;

1755 de Carolinapolder, vernoemd naar de oudste dochter van Stadhouder Willem IV;

1775 de Nassaupolder, het buitendijkse land van Koningsoord langs de Dintel en de Oranjepolder, het buitendijkse land van de Willemspolder; beide polders werden geschikt als akkerland door de bouw van de sluizen in de Vliet in 1823 en in de Dintel in 1828;

1817 de Drie Vriendenpolder, ingepolderd door de heren A.J. Stier d’Aertelaer, L.H.C. Ingenhousz en P.J. Cuijpers;

1830 de Boterpolder en de Oost- en Westveerpolder;

1883 De Driegebroederspolder, ingedijkt door de eigenaren de gebroeders Charles, Alexandre en Jean Leopold Della Faille de Leverghem.

Naar volgende pagina