Bergen op Zoom
St. Philipsland St. Maartensdijk Westkerke Scherpenisse Dinteloord Steenbergen

Verzameld uit "Het Markiezaat van Bergen op Zoom" door Cees Vanwesenbeeck. Dit machtig interessante boek bevat ook informatie over Fijnaart en Heijningen, Halsteren, Hoeven, Huijbergen, Ossendrecht, Oudenbosch, Oud en Nieuw Gastel, Putte, Rucphen, Standdaarbuiten, Woensdrecht en Wouw.

De eerste bewoning in het gebied rondom de huidige stad dateert van de 12e eeuw. Het betreft dan een grotendeels agrarische samenleving, gevestigd in het zuidelijke deel van het latere Markiezaat, rond de beekdalen van de Roosendaalse Vliet, de Wouwsebeek en een paar zijbeekjes daarvan. Ook vestigde men zich langs de terrasrand van de lijn Ossendrecht - Halsteren. Deze vrij steile overgang van het hoge naar het lage land, met een hoogteverschil van soms wel 20 meter, is reeds lang bekend onder de naam terrasrand of Zoom.  

Uit de 12e eeuw is, behalve een tiental oorkonden uit de periode tot 1180, weinig geschreven tekst bekend.De naam "Bergen" treft men voor het eerst aan in een akte uit 1219. Er zijn tot op heden ook weinig bodemvondsten die ons iets over deze begintijd kunnen vertellen. 

De vestigingsplaatsen van menselijke bewoning moet men zich meer concreet voorstellen als zijnde te Bergen op Zoom, Borgvliet, Hildernisse, Ossendrecht en Gageldonk. Vanaf ongeveer 1250 vindt men Gastel, Halsteren, Noordgeest, Wouw, Woensdrecht en Zuidgeest als gebieden van menselijke bewoning. Reeds in de 13e eeuw speelt Bergen op Zoom in het gehele gebied een vooraanstaande rol. Tot 1287 behoort het land van Bergen op Zoom aan de heerlijkheid Breda. 

De heren die vanaf de 12e eeuw de scepter zwaaiden over die heerlijkheid zijn achtereenvolgens Gerard van Breda omstreeks 1125, Godfried I van Breda, kinderloos overleden omstreeks 1160 en Hendrik II van Breda. Genoemde heren worden vermeld als de heren van Breda - Schoten, omdat zij ook te Schoten heerlijke rechten bezaten. De opvolging in de heerlijkheid Breda ging verder met Godfried II van Breda, gehuwd met Ludgard van Perk, Godfried III van Breda, overleden in 1227 en gehuwd met Mathilde van Bethune, Godfried IV, in 1246 opgevolgd door zijn broer Hendrik IV. Deze laatste werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik V, overleden in 1268 en die gehuwd is met Sophia Berthout. Hendrik V wordt opgevolgd door zijn zuster Elisabeth, die in 1268 huwt met Arnoud van Leuven, heer van Gaasbeek. Hij is familie van de hertog van Brabant. Elisabeth en Arnoud krijgen geen kinderen.

Al vr het overlijden van Elisabeth en Arnoud ontbrandt in 1281 de strijd om hun opvolging. Hoofdrolspelers hierin zijn Raso van Gaveren - Liedekerke en Gerard van Wezemaal. Hertog Jan I van Brabant regelt in een akte gedateerd 22 juni 1287 globaal de verdeling van de heerlijkheid Breda. Raso van Gaveren - Liedekerke kreeg toegewezen het gebied dat later globaal overeen zou komen met de Baronie van Breda, met uitzondering van het dorp Dongen en Gerard van Wezemaal verkreeg Bergen op Zoom met omgeving, het dorp Wouw en de heerlijkheden Woensdrecht en Ossendrecht en de daarbij behorende woeste gronden. De beide heren gingen samen het bestuur uitoefenen over het zogeheten "gemene land", met daarin onder andere Steenbergen, Oud Gastel, Oudenbosch, Hoeven en de daarbij behorende woeste en onbedijkte gebieden. 

Gerard van Wezemaal, is de zoon van Arnoud II van Wezemaal en van Beatrix van Breda. Over zijn geboorte is slechts bekend dat die vr het jaar 1253 moet zijn. De familie had bezittingen in Wezemaal, Oplinter, Westerlo, Tongerlo, Oolen, Herselt en Kwabeke. Na 1287 legde Gerard zich geheel toe op het bestuur van de heerlijkheid Bergen op Zoom. Onbewezen is het verhaal dat hij de stad liet voorzien van een omwalling. Het overlijden van Gerard van Wezemaal moet zijn gelegen tussen augustus 1308 en 12 maart 1309. De naam van zijn echtgenote is niet bekend. De namen van drie van zijn kinderen zijn: Arnoud (Arnold), Gerard, de latere heer van Schoten en Merksem, overleden omstreeks 1348, Godfried, de latere heer van Sluizen (bij Tienen).

Tot het gebied van de heren van Bergen op Zoom behoorden tot het jaar 1458:

1. Bergen op Zoom met de Buitenpoorterij; 2. De polder Het Zuidland; 3. Het gehucht Zuidgeest; 4. Het gehucht Noordgeest; 5. Halsteren; 6. Putte; 7. De heerlijkheid Wouw, waartoe behalve het gebied van het tegenwoordige dorp ook behoorden delen van Roosendaal, Rucphen en Voornseinde en een strook van het tegenwoordige Hoeven; 8. Rucphen; 9. Zegge, dat in de 13e eeuw genoemd werd "De moeren boven Kalsdonk"; 10. Voornseinde onder de parochie Sprundel; 11. Moerstraten. Dit bleef tot 1810 een afzonderlijk rechtsgebied. 

Ter compensatie van het vanaf 1287 onder gezamenlijk bestuur van de heren van Breda en Bergen op Zoom vallen, kreeg de heer van Bergen op Zoom ook van een aantal gebieden de rechten en inkomsten, te weten: 1. de heerlijkheid Woensdrecht; 2. de heerlijkheid Hoogerheide; 3. de heerlijkheid Calfven, grenzend aan Ossendrecht; 5. de heerlijkheid Hildernisse, ten zuiden van Borgvliet; 6. de polder Witte Moer, ten zuiden van Hildernisse; 7. de polder Heveland, tussen Borgvliet en Hildernisse; 8. de Heer Boudewijnspolder, ten westen van Halsteren; 9. de polder Het Noordland, ten noorden van de stad Bergen op Zoom. Vervolgens bezat de heer van Bergen op Zoom ook de hoge heerlijkheid over de volgende door kloosters beheerde gebieden: 1. Huijbergen, van het klooster der Wilhelmieten; 2. een deel van Oudenbosch, van de abdij van Sint Bernaards aan de Schelde; 3. Hoeven, van deze zelfde abdij; 4. de Sint Maartenspolder, eveneens van de abdij van Sint Bernaards aan de Schelde.     

Voor wat betreft bestuur en rechtspraak ontstond er in de loop van enkele eeuwen een onderverdeling van het totale gebied in: 1. de stad en de Buitenpoorterij; 2. het Westkwartier, waaronder Wouw en Halsteren; 3. het Zuidkwartier; 4. het Oostkwartier. Bij zijn aantreden in 1287 trof de heer in Bergen op Zoom al een bestaande rechterlijke organisatie aan. Er waren reeds schepenbanken in Bergen op Zoom, Hildernisse, Wouw, Borgvliet, Zuidgeest, Noordgeest, Oud Gastel, Steenbergen en Woensdrecht. Na de bedijking kregen ook Standdaarbuiten, Nieuw Gastel, Fijnaart, Heijningen en Ruigenhil (het latere Willemstad) een eigen schepenbank. 

Omdat de verdeling door hertog Jan I in 1287 niet exact in de acte werd aangegeven, moest de heer van Bergen op Zoom tot zo ongeveer het jaar 1533 strijd leveren over heerlijkheidsrechten, zoals de heffing van cijnzen en tienden en de uitoefening van de rechtsmacht, met onder meer: 1. de heer van Breda; 2. de hertog van Brabant; 3. de heer van Hoogstraten; 4. de heer van Zevenbergen; 5. de abdij van Sint Michiels te Antwerpen; 6. de abdij van Tongerlo; 7. de abdij van Sint Bernaards aan de Schelde; 8. Holland en Zeeland.

Het Kasteel van Wouw Anno 1775

Naar volgende pagina