Wie ben ik?

Mijn naam is Johannes Maria (Joop) Belet. Ik ben geboren te Bergen op Zoom op 19 februari 1938, aan het adres Emmastraat 6. Dit was dus nog voor Wereldoorlog II. Van deze oorlog herinner ik mij slechts fragmenten en de meeste nog leuke ook. We kregen als kleine kwajongens van de op wacht staande Duitse soldaten ("petroleummannetjes") vaak chocolade en melkpoeder. Schoolgaan was in de oorlog ook best leuk, we zaten regelmatig op een andere locatie, want de huizen of lokalen werden van tijd tot tijd door de Duitsers gevorderd. Ik herinner mij schooldagen in het pand van Piet Jansen, achter de winkel en in het pand van Schraven, daartegenover. In het laatste huis was later de sigarenwinkel van Charles de Mooy gevestigd. 

Jeugdjaren in de oorlog

Spannend als zoon van mijn vader was het voorval met het gestolen paard van de Duitse commandant. Mijn vader en nog een paar mannen uit de buurt hadden het beest "geleend" en kwamen er triomfantelijk mee door de straat rijden. Hoe ze het gefikst hebben weet ik niet. Het was me wel een kunstje. Met een paar buurtvriendjes heb ik gezien dat ze het dier terugbrachten en er vervolgens als hazen vandoor gingen. 

Een andere mij bijgebleven geschiedenis is die van het luchtgevecht. Op een woensdagmiddag werd ik door tante Bertha naar de kapper gebracht, Leo van de Wijngaarden op de Antwerpsestraatweg. Ik moest even wachten en ging aan de stoeprand staan kijken naar twee vliegtuigen die in de buurt van Nieuw Borgvliet voor mijn kinderoog "capriolen" aan het uithalen waren. Tante Bertha wil net bij de kapper naar binnen gaan als er ineens een enorme knal te horen is. Geweldige verwarring, tante Bertha ligt gewond op de grond, ik mankeer niks. Wat blijkt, die vliegtuigen waren op elkaar aan het schieten en een verdwaalde granaat spat op de stoep bij ons in de buurt uit elkaar. Tante Bertha heeft toch wel een dikke week in het ziekenhuis gelegen, nadat er een boel scherven uit haar benen en rug waren gehaald. Jaren na de oorlog kwamen er regelmatig nog kleine ijzerdeeltjes uit haar rug en benen. Achteraf werd duidelijk dat het hier ook om een soort beschieting van de stad ging; er zijn als ik het mij wel herinner 8 of 9 doden gevallen.

Echt opwindend vond ik de nacht van de beschieting van de stad, ergens achterin het jaar 1944. Met de hele club, vader, moeder, opa en opoe Vriens, tante Bertha Vriens-van Dijk, tante Corrie Vriens, onze Riet en ik, renden we in het pikdonker van de Emmastraat naar de Prinses Beatrixlaan, naar het huis van de ouders van tante Bertha. In de haast werd mijn zusje over de straatstenen gesleurd en liep nog aardige schaafwonden op. Het huis had een grote, stevige schuilkelder. Daarin hebben we toch wel een dag of tien gezeten. Opa en mijn vader gingen er telkens even uit om voedsel en water te halen, waar mag joost weten. Dat vond ik als jochie toch wel een heel dappere daad.

Toen de bevrijding tenslotte kwam, was het één groot feest; ik kreeg chocolade en corned beef en mocht meerijden op een Canadese tank, helemaal tot aan hotel De Schelde!

 

Lagere school en middelbare school.

 

Na de lagere school, tijdens welke jaren ik heb gevoetbald, gehandbald en aan verkennerij heb gedaan (uiteraard buiten schooltijd!), ben ik, na een toelatingsexamen, in augustus/september 1950 naar de HBS gegaan, het Mollerlyceum aan het Bolwerk. Daar ben ik op één problematisch jaar na - 1954/1955; de ziekte en het overlijden van mijn moeder; ik ben toen blijven zitten - redelijk vlot en probleemloos doorgekomen. In 1956 heb ik eindexamen gedaan en het diploma gehaald. Tijdens de HBS-jaren heb ik vrij veel aan atletiek gedaan, bij de MAC (MollerAtletiekClub), waar wij voornamelijk op woensdagmiddag werden getraind door Bob Stüker, op het terrein van De Kloof en in de bossen van Lievensberg. Ook volleybal was in die jaren een geliefde sport. 

 

 

 

De Katholieke Leergangen.

In september 1956 ben ik gaan studeren aan de Katholieke Leergangen in Tilburg voor het diploma leraar Engelse taal en letterkunde, zoals dat in die tijd heette. Tijdens de studiejaren heb ik mijn vrouw Frederica leren kennen. Dat zat zo: Op het accountantskantoor waar ik tijdens mijn studie werkte om toch wat geld te verdienen, werd op een goede dag een reorganisatie doorgevoerd. Ik kon daar niet blijven, omdat ik mij niet voor vast aan het kantoor wilde verbinden en Frederica, mijn toekomstige vrouw, werd in mijn plaats aangenomen. En van het een is toen het ander gekomen. 

 

 

 

 

 

Militaire dienstplicht.

In augustus 1960 werd ik opgeroepen voor militaire dienst;  ik was toen dus inmiddels ruim 22 jaar. De dienstplicht heb ik vervuld, bij eerste opkomst in de Frederik Hendrikkazerne te Vught, waar ik werd ingedeeld bij het "elitepeleton" van het regiment Garde Jagers. Vervolgens ben ik naar de KaderSchool Infanterie (KSI) in de Isabellakazerne te Den Bosch gegaan (dat moest van mijn commandant) en heb daarna 14 maanden in het opleidingsdepot voor dienstplichtigen in Venlo/Blerick gediend als sergeant-instructeur.

 

 

 

Ons huwelijk. 

 

Frederica en  ik zijn voor de kerk getrouwd op 3 mei 1963.  Tot ons geluk heeft ons huwelijk in goede harmonie steeds stand  gehouden. Wij zijn daarin verrijkt met onze drie kinderen, Anita, Edwin en Saskia. 

Werken voor de kost.

In mei 1962 zwaaide ik af en begon toen maar eens aan "de kost verdienen" te denken. Gesolliciteerd bij enkele banken en verzekeringsmaatschappijen en in september 1962 ben ik gaan werken bij de Levensverzekering Maatschappij "Stad Rotterdam" te Rotterdam. Naast mijn HBS-diploma had ik intussen een aantal andere diploma's gehaald: Boekhouden, Nederlandse, Engelse en Duitse handelscorrespondentie en had leren typen. Bij de werkgever werd in die tijd dat soort papieren wel op prijs gesteld. Stad Rotterdam, mijn eerste, is ook mijn enige werkgever gebleven. Door hard werken en bij tijd en wijlen ook wat geluk (wie kan er zonder), heb ik daar een aardige carrière gemaakt en ben tenslotte in maart 1998 via vervroegde uittreding gestopt met werken. De promoties waren van 2e assistent administratie, naar 1e assistent administratie, naar waarnemend chef afdeling administratie, naar chef afdeling administratie, naar plaatsvervangend chef hoofdafdeling administratie, naar chef hoofdafdeling acceptatie, administratie, collectief en techniek, naar directie-assistent levensverzekeringen en tenslotte naar de eindrang van onderdirecteur levensverzekeringen binnendienst.

Zoals al eerder gezegd heb ik per 1 maart 1998 gebruikt gemaakt van een aanbod tot vervroegde uittreding, ben nu dus "vrij" man en snap niet dat ik voorheen tijd heb gehad om te gaan werken. .

Volop vrijheid.

In onze vrijheid nu, houden Frederica en ik ons bezig met veel wandelen en -vooral in voorjaar, zomer en vroege najaar- met fietsen. Regelmatig huren we in Drente of Overijssel een huisje om dan daar ter plaatse fietsroutes te rijden, vooral ook om van het natuurschoon te genieten. Ook hebben we de gewoonte om een paar weken per jaar in Frankrijk door te brengen in een daar gehuurd landhuis of gehuurde boerderij.

Is het wat minder goed weer, dan mag Frederica graag handwerken en ik houd me dan bezig met lezen of "computeren". Ik moet trouwens niet vergeten te vermelden dat ik ook graag tuinier. In het bos waar wij een blokhut als weekendhuisje hebben staan, mag ik van de boerin een stuk grond gebruiken voor aanleg en vervolgens onderhoud van een "bostuin". Hier worden veel genoeglijke uren aan gespendeerd.